10 meest voorkomende instinkers in de Duitse taal

9x bekeken

In de zakenwereld is nauwkeurige communicatie belangrijk. Fouten kunnen een negatieve indruk achterlaten bij je Duitstalige zakelijke partners. In deze blogpost bespreken we 10 meest voorkomende instinkers in de Duitse taal die je absoluut wilt vermijden, zodat je vlot en foutloos kunt communiceren met je zakelijke contacten. 

1. Verwarring tussen ‘das’ en ‘dass’

‘Das’ is een bepaald lidwoord (zoals ‘de’ en ‘het’ in het Nederlands), terwijl ‘dass’ een voegwoord is (zoals ‘dat’ in het Nederlands). Let op het juiste gebruik:
“Ich lese das Buch.” (Ik lees het boek.)
“Er sagt, dass er kommt.” (Hij zegt dat hij komt.)

2. Onjuist gebruik van ‘zullen’

Het Duitse “sollen” betekent niet hetzelfde als het Nederlandse “zullen”. Let op de context.
Stel dat iemand wil zeggen: “We zullen morgen naar de bioscoop gaan.”

De incorrecte vertaling met “sollen” zou zijn: “Wir sollen morgen ins Kino gehen.”
Dit betekent eigenlijk: “We zijn verplicht om morgen naar de bioscoop te gaan,” wat niet de bedoeling is.
De juiste vertaling zou zijn: “Wir werden morgen ins Kino gehen.” (“We zullen morgen naar de bioscoop gaan.”)

Als “sollen” in een vraagzin staat, wordt het net als het Nederlandse ‘zullen‘ vertaald. In een gewone zin krijgt ‘sollen’ de betekenis ‘zou moeten’.

3. Modaal werkwoord 

Als je in een Duitse bijzin een modaal (dürfen, können, mögen, müssen, sollen, wollen en wissen) werkwoord hebt, dan komt dit helemaal op het einde. 

Incorrect: Ich glaube, dass er unser Angebot nicht will annehmen. (Ik denk dat hij ons aanbod niet wil aannemen.)
Correct: Ich glaube, dass er unser Angebot nicht annehmen will.

4. Verkeerde vervoeging van ‘mogen’

‘Ich mag’ betekent ‘ik vind leuk’, terwijl ‘ich möchte’, ‘ik zou graag willen’ betekent.

  • Ich mag Kaffee. (Ik houd van koffie.)
  • Ik mag Fussball spielen. (Ik houd van voetballen.)
  • Ich möchte Kaffee. (Ik zou graag koffie willen.)
  • Ik möchte Fussball spielen. (Ik zou graag willen voetballen.)

5. Verwarring tussen ‘wo’ en ‘wohin/woher’

‘Wo’ vraagt naar een locatie. ‘Wohin’ vraagt naar een richting en ligt altijd in de toekomst.
Voorbeelden van het gebruik van ‘wo’ en ‘wohin’ in het Duits:

  • ‘Wo’ (naar een locatie):

Ich bin wo? (Waar ben ik?)
Ich bin in der Bibliothek. (Ik ben in de bibliotheek.)

  • ‘Wohin’ (naar een richting):

Wohin gehst du? (Waar ga je naartoe?)
Ich gehe zum Supermarkt. (Ik ga naar de supermarkt.)

  • ‘Woher’ (waarvandaan):

Woher kommst du? (Waar kom je vandaan?)
Ich komme aus Deutschland. (Ik kom uit Duitsland.)

6. Onjuist gebruik van ‘bij’

Vertaal ‘bij’ als ‘bei’ en niet als ‘an’ of ‘zu’.

  • Foutief gebruik van ‘bij’:

Stel dat iemand wil zeggen: We gaan bij het restaurant eten.
De incorrecte vertaling met ‘bij’ zou zijn: Wir essen bei dem Restaurant.
Dit betekent eigenlijk: We eten aan het restaurant. En dat is niet de bedoeling.

Hoe moet het dan?

  • Met ‘im/in der’:

Wir essen im Restaurant. (We eten in het restaurant.)
Wir sind in der kantine. (We zijn in de kantine.)

7. Fouten met ‘Hoe gaat het met je?’

Bij het vertalen van teksten hebben Nederlanders de neiging om alle woorden in een zin letterlijk te vertalen. Dit is een veelgemaakte fout. In het Duits worden sommige woorden echter niet vertaald.

Vertaal ‘Hoe gaat het met je?’ als: Wie geht es dir? Dus zonder het woordje ‘met’.

8. Verkeerde vertaling van ‘dus’

Het Nederlandse woord ‘dus’ lijkt op het Engelse woord ‘so’, maar in het Duits gebruik je een ander woord. Vertaal “dus” in het Duits als ‘also’, niet als ‘so’:
Fout: Es regnet, so bin ich drinnen geblieben.
Goed: Es regnet, also bin ich drinnen geblieben. (Het regent, dus ben ik binnen gebleven.)

9. Onjuist gebruik van ‘lekker’

In het Duits wordt ‘lekker’ voornamelijk gebruikt om de smaak van eten aan te duiden. Gebruik andere woorden om aan te geven dat iets of iemand aangenaam of fijn is.

Bijvoorbeeld: Die muziek ligt lekker in het gehoor. (De muziek klinkt goed.)
Vertaling: Die Musik hört sich gut an.

10. Fout met het gebruik van ‘dürfen’

In het Duits betekent dit ‘mogen’ en geen ‘durven’. Durven betekent namelijk ‘sich trauen’.
Wir dürfen das nicht machen. (Wij mogen dat niet doen.)
Ich traue mich hinunter zu springen. (Ik durf naar beneden te springen.)

Blijft de Duitse taal (te) lastig?

Herken je deze 10 meest voorkomende instinkers in de Duitse taal en wil je graag je Duitse taalvaardigheid verbeteren? Of je de Duitse taal nodig hebt voor je werk, je jouw Duitse taalvaardigheid naar een hoger niveau wilt tillen, of gewoon meer zelfvertrouwen wilt krijgen in het spreken, wij staan voor je klaar. Lees hier meer over onze taaltrainingen Zakelijk Duits en geef jezelf een voorsprong in zakelijke communicatie.  

Wil je graag persoonlijk advies over een passende training of heb je vragen over één van onze trainingen? Vul dan onderstaand formulier in en we nemen zo snel mogelijk contact met je op.

Velden met * zijn verplicht